Ze klimmen allemaal in de boom

De waaier aan leuke buitenactiviteiten waar ik een groot deel van de vorige avond voor had gegoogeld, wordt weggewuifd: ja, maar ik wil vanmiddag bij mijn vriendje spelen. Ik zie met enige tegenzin voor me hoe het weekend zal verlopen.

De energie kan niet weg, de huid kleurt bleker en het enige dat warm wordt, is de PlayStation. Maar ik lijk er niet veel tegen in te kunnen brengen. De prepuberteit is al ingezet en de ideeën van de volwassenen leggen het af tegen die van de vriendjes. Of?

Het klinkt zo simpel (en zó als mijn eigen moeder) dat ik het zelf haast niet geloof als het werkt: “En nu gaan jullie naar buiten!” Na een half uur hoor ik mijn zoon me roepen. Vanuit de boom in de tuin die de volwassenen hebben afgekeurd als klimboom. “Kijk mama, ik ben hoger gekomen dan de rest!” Weer binnen vertelt hij waarom hij er toch zo graag in klimt, ook al is het niet echt een klimboom. “In die bomen in de Speeldernis kan ik niet zo hoog klimmen. En ze (de vriendjes) klimmen allemaal in die boom.” Ik geloof nog steeds dat hij minstens een arm kan breken als hij eruit valt, maar herinner me ook de bomen waar ik zelf in klom, die op het speelpleintje voor ons huis. Buiten spelen hoeft niet groots en meeslepend te zijn. Je hoeft er alleen maar voor de deur uit te stappen. 

-Carianne Buurmeijer-